‘Als ik zeg dorpsfiguur, dan weet je wel wat ik bedoel, hè?’ Een meneer voor mijn marktkraam knoopt een praatje aan.
‘Ja, natuurlijk, ieder dorp heeft er één. Of meer.’ stem ik in. ‘En iedere stad ook.’
Hij zegt waar hij oorspronkelijk vandaan komt: Hoogkarspel. Hij vertelt dat er daar voorheen van die dorpsfiguren rondliepen. Karakteristieke types, die ogenschijnlijk onopvallend aanwezig zijn in de dorpsgemeenschap, maar het hele dorp heeft aan één woord genoeg om te weten over wie het gaat. Mensen die het net zo goed bedoelen als ieder ander, maar die door bepaalde gewoontes toch als apart worden bekeken. Of omdat ze een vast stopwoord hebben. Zo’n woordje dat dan hun bijnaam wordt. Het kan om mensen gaan die een geheel eigen manier van bewegen hebben.
Uiteindelijk zijn deze figuren ook stervelingen, die opgaan in het weefsel van de dorpshistorie.
De meneer voor mijn kraam legt uit dat niemand aanstoot neemt aan die buitenissige karaktertjes, dat niemand hen speciale aandacht schenkt. Hij wel. Hij zegt: ‘Ik kon die types imiteren. Het was net of ze daardoor nog een beetje bleven bestaan.’ Met vooraf gevoelde spijt zegt hij: ‘Als ik er over een tijdje niet meer ben, dan is er in de toekomst niets meer over van deze excentriekelingen. Ook niet meer door middel van mijn imitaties...’
Ik begrijp uit die woorden dat dat een onderwerp is wat meneer aan het hart gaat. Hij maakt zich zorgen over het verdwijnen van dit immateriële dorpserfgoed.
Hij heeft het al eens besproken met een andere man uit zijn dorp. Dat hij vreest voor het vervagen van de nalatenschap van die bijzondere individuen.
Daarop kreeg hij een reactie die precies past bij iemand in de categorie aparte dorpsfiguren: ‘Nee hoor, me joôn, dat gebeurt voorlopig niet. Je wordt er zelf ook één.’


